met toestemming overgenomen uit Elsevier Nr. 39 - september 2008

Enkele jaren eerder liet dezelfde oudere man zich in zijn woning, in badjas, interviewen door het blad van Amsterdam Thuiszorg, waarvan hij een van de klanten was. Het gesprek werd nog even onderbroken door de binnenkomst van zijn zoon, die boodschappen voor vader had gedaan. Inclusief, op uitdrukkelijk verzoek, Fanta en moorkoppen.
Deze man, die in zijn laatste jaren alleen nog als lichamelijk kwakkelende thuiszorgklant in de publiciteit kwam, deze man heette Dirk Horringa. In de week dat de financiële wereld een crisis van historische proporties intuimelde, terwijl Nederland er volgens de Troonrede niettemin goed voorstaat, overleed hij. Zijn kinderen en andere nazaten maakten zijn dood bekend per advertentie.
Ze noemden hem ‘onze lieve, onmogelijke vader’. Een dag later volgde een advertentie van ex-partners en medewerkers van het vroegere organisatie-adviesbureau Horringa & De Koning. Zij betitelden hem als ‘vriend, leidsman en compagnon’.
Dirk Horringa was een van de eerste organisatie-adviseurs van Nederland, beroemd en berucht van Nederland, beroemd en berucht in de directiekamers, en daarnaast bijzonder hoogleraar in Eindhoven en op Nyenrode. Hij werkte over de halve wereld. Horringa dwong Albert Heijn, die hij onvoldoende capaciteiten toedichtte, afstand te doen van het voorzitterschap van Ahold, ten gunste van zijn broer Gerrit Jan, die enkele maanden later werd ontvoerd en vermoord, waarna Albert toch weer de leiding van Ahold op zich nam.
In 1993 werd het bureau overgenomen dat Horringa in 1968 samen met Co de Koning had opgericht. Horringa was op dat moment zelf al met pensioen en publiceerde in het blaadje van de bank MeesPierson zijn visie op Nederland, de wereld, economie en samenleving. Dat oordeel was scherp en werd in zelfingenomen Nederland als buitensporig kritisch ervaren en doorgaans dus genegeerd.
Vijftien jaar geleden berekende Horringa in een artikel in NRC Handelsblad dat Nederland wel het ziekste land ter wereld moest zijn met 900.000 afgekeurde arbeidsongeschikten, 300.000 ziekmeldingen en 200.000 mensen in psychotherapie. Met de 600.000 werklozen en 300.000 bijstandtrekkers kwam hij op meer dan twee miljoen werklozen. De statistieken kloppen niet, zei hij. Nederland had geen 7 of 8 procent werklozen op dat moment – meer dan een kwart van de beroepsbevolking was werkloos.
Tel daarbij op, schreef Horringa, het aantal ambtenaren en anderen die direct of indirect in dienst van de overheid zijn, of ervan afhankelijk, en je komt uit op 60 procent overheidsafhankelijken, terwijl het geld wordt overheidsafhankelijken, terwijl het geld wordt verdiend door de 40 procent die in de marktsector werkt. Met zo veel afhankelijkheid, redeneerde Horringa, is de zieke, uitdijende verzorgingsstaat Nederland niet meer te saneren. Het mag nu bij gelegenheid anders zijn, maar in die dagen werden betogen als die van Horringa doorgaans gezien als onzinnig, ongewenst en in elk geval zwaar overdreven.
Toen Nederland zichzelf in 1997 aanpraatte dat ons poldermodel van nauw samenwerkende, loonmatigende lobby’s van ondernemers, vakbonden en overheid, een voorbeeld was voor de hele wereld, doorbrak Horringa wederom het taboe. In Nederland zelf werd hij nauwelijks gehoord, maar The Economist, Times en The Wall Street Journal namen Financial Times en The Wall Street Journal namen tot ontzetting van het toenmalige paarse kabinet zijn visie over: Nederland was helemaal geen paradijselijk voorbeeld. Weer tamboereerde Horringa op de achter statistieken verborgen massawerkloosheid en op de staatsschuld, die in zijn visie viermaal groter was dan voorgesteld, omdat de toekomstige verplichtingen op het gebied van zorg en AOW niet werden meegerekend. Het poldermodel was volgens hem niet meer dan een ‘rondtoerende hype’.
Dirk Horringa was misschien wat zwartkijkerig ingesteld. Maar hij behoorde, buiten zijn verdiensten als hardhandig bedrijfsadviseur, ook tot de eersten die hardop de onrustbarend uitdijende verzorgingsstaat, de buitensporige lastendruk en de vrijwel onomkeerbare overheidsafhankelijkheid aan de kaak stelden.